1 mei is al sinds meerdere generaties een strijddag. Tal van vrouwen, mannen en groeperingen, kleine en grote, grijpen de gelegenheid aan om allerhande eisen naar voren te schuiven – soms hypocriet (denk maar aan een aantal vermolmde sociaaldemocratische figuren die aanklagen wat ze, als ze aan de macht zijn, zelf beoefenen, of aan recuperatiepogingen van extreemrechts), maar vaak meer dan terechte zaken die vereist zijn in een samenleving die de menselijke waardigheid centraal stelt en waarin ieders rechten worden geëerbiedigd. Wij als V-SB willen deze kans echter gebruiken om te wijzen op wat de fundamentele voorwaarde is voor deze eisen: het recht van een samenleving om (samen) zelf te beslissen over waar ze naartoe wil. Met andere woorden: soevereiniteit.

 

 Pas als we het recht veroveren om over ons eigen lot te beslissen, kan worden gebroken met het neoliberale carcan waarin (onder meer) de Europese staten gekneld zijn. Dit keurslijf neemt verschillende vormen aan. Vaak zijn dat supranationale structuren, waarvan de beslissingen buiten het politieke debat worden gehouden – denk aan organisaties als het IMF of aan de Europese Unie. Maar het kan ook gebeuren in de vorm van vrijhandelsverdragen zoals CETA (het Comprehensive Economic and Trade Agreement tussen de EU en Canada), een van de actueelste uitdagingen voor de veroverng van de volkssoevereiniteit. Naast het feit dat voor het eerst met “negatieve lijsten” voor het vrijmaken van de handel wordt gewerkt (d.w.z. tenzij anders bepaald wordt alles geliberaliseerd i.p.v. Omgekeert), moet daarbij boven alles het ISDS (Investor-State Dispute Settlement)- ofte ICS (Investment Court System)-mechanisme in het vizier worden genomen: dit systeem stelt bedrijven in staat overheden aan te klagen wanneer zij beslissingen nemen die hun investeringen kunnen schaden. Deze arbitrageprocedure, die verkocht wordt als garantie voor de rechtszekerheid voor investeerders, is een gigantisch cadeau voor grote multinationale bedrijven: zij kunnen verhinderen dat de verkozenen maatregelen nemen, bijvoorbeeld milieuwetgeving of sociale beschermingsmaatregelen, die wel in het algemene belang zijn maar niet in dat van hun winststeven. Overheden zullen immers de enorme schadeclaims van de grote bedrijven willen vermijden. Reken daarbij nog dat die rechters buiten het nationale systeem werken, geen vast loon krijgen maar per zaak worden betaald (tot 500 euro per uur …) en dat alleen de bedrijven en niet de overheden zaken kunnen aanspannen, dan weet je wie structureel bevoordeeld is bij een dergelijk systeem ...

 

Kernachtig zou je het kunnen beschrijven als pamperkapitalisme voor multinationals. Dit is een fundamentele aanfluiting van zowel het principe van gelijke behandeling – gewone burgers kunnen de overheid niet aanklagen omdat wetten hun niet bevallen en in werkelijkheid gaat een dergelijke procedure ook de capaciteiten van de meeste kmo's te boven – en de nationale soevereiniteit en een instrument om de neoliberale “race to the bottom” te cementeren – de tendens om kwaliteitsnormen, minieunormen en sociale normen naar beneden te nivelleren.

 

CETA is niet het enige verdrag waarin een dergelijk systeem is opgenomen. Zo wordt de Antwerpse haven op dit ogenblik aangeklaagd op basis van een handelsverdrag met een gelijkaardig systeem door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten (DP World Limited). Kenmerkend daarbij is trouwens dat er over de zaak bijna niets te vinden valt, wat illustreert hoe onbestaande de democratische controle bij de procedure is. Het verdrag waarop de rechtzaak is gebaseerd – het investeringsverdrag tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de VAE – bepaalt immers dat transparantie bij dergelijke geschillen niet hoeft …

In handelsverdragen die België sluit, is ISDS zowat een standaardclausule. Dat verhindert niet dat CETA onbelangrijk of ongevaarlijk is, al was het maar vanwege de verwevenheid van het Canadese en het Amerikaanse bedrijfsleven en vanwege het feit dat CETA in omvangrijke liberaliseringen voorziet. Maar ook omdat geen enkel ICS-mechanisme aanvaardbaar is en het bestaan van dergelijke mechanismen in het ene verdrag geenszins de opname ervan in een ander mag rechtvaardigen.

 

CETA is alllang niet meer zo prominent in het nieuws als anderhalf jaar geleden, toen niet alleen het Waalse maar ook een van onze Vlaamse parlementen, met name de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, de ondertekening hiervan vertraagden door bijkomende garanties te vragen. Sinds de Waalse en Brusselse regeringen uiteindelijk enige beloften hebben kunnen losrukken, zonder evenwel een fundamentele herziening van het verdrag of juridische zekerheid over het naleven van die beloften, is de aandacht gaan liggen. De indruk heerst dat de CETA-strijd gestreden is. Niets is minder waar. Het Europese Parlement heeft CETA weliswaar goedgekeurd en daarmee is het verdrag inderdaad voor een groot deel in werking getreden, maar één belangrijk onderdeel nog niet: het ICS-systeem. Daarvoor is immers de goedkeuring van àlle 38 bevoegde parlementen in Europa nodig, met inbegrip van de zeven Belgische. Tot op heden hebben noch het Vlaams Parlement, noch de Brusselse Hoofdstedelijke Raad CETA geratificeerd – net zo min als bijvoorbeeld de Franse, Nederlandse en Duitse staten dat hebben gedaan.

 

De strijd tegen CETA en ICS is dus nog niet afgelopen. Integendeel: hij is nog maar net begonnen. Wij maken van deze 1 mei dan ook gebruik om op te roepen druk te blijven uit te oefenen op de leden van onze verschillende parlementen, opdat zij CETA niet ratificeren en een referendum rond de kwestie aan te nemen – zoals sinds de 7e staatshervorming mogelijk is.